..Grond
Ik zoek beelden uit mijn verleden en dat van de wereld. Vervolgens
assembleer ik. Ik voeg samen en creëer een andere -schijnbaar nieuwe-
dimensie. Een ander heden. In dat heden zoek ik raakpunten met de
toeschouwer, met zijn heden en zijn verleden. Is een beeldend werk
immers niet de transparante muur tussen schepper en kijker? ( zoals
letterlijk in ‘Het grote glas’ van Marcel Duchamp) Dan wordt de
verbeelding (al of niet rechtstreeks gebonden aan een waarneming) van
beiden reëel.
Die raakpunten, die transparantie, kunnen slechts gevonden worden door
grondige observatie. Het beschouwen van zeden en gewoontes, gedragingen,
patronen en structuren. Het bekijken van minderheden, het observeren van
identiteiten. Dat is trouwens wat kunstenaars dag na dag doen.
De middeleeuwse straatartiesten van weleer bezongen en beeldden het
leven van alledag uit op kermissen en jaarmarkten. Ook theatermakers of
poppenspelers vonden het vertrekpunt voor hun spel in de realiteit.
Teksten en pamfletten met louche verhalen en roddels werden overal
opgehangen. Aan het Pasquino beeld in de hoek van Piazza Pasquino te
Rome bijvoorbeeld. Het beeldje kleefde vol tekst, al dan niet verzinsel
of waarheid. Kritiek op de gevestigde machtssystemen en uiteenzettingen
over talrijke twijfelachtige intriges.
De verspreiding van boekdrukkunst en grafiek, die illustratief hun
verhaal vertelden en zo grenzen overschreden, speelde in die tijd ook
een grote rol. Zo werd het aanbod aan realiteit ruimer: de grenzen
werden opengerukt, het beeld van alledag vergrootte.
Communicatie kende nieuwe sporen. Beeldend werk is communicatie en heeft
nood aan een bodem van waarneming.
Mijn beelden bieden een mengpalet aan perceptie. Net als de realiteit. Zowel letterlijk als figuurlijk. Ze spelen zowel een spel met historische verschuivingen in iconografische thema’s als met het claimen van betekenissen: ik ga immers iconografische elementen combineren en vervormen. Dat gebeurde geregeld maar latent doorheen de Westerse geschiedenis. Ik schep een symboliek en een beeldentaal, eigen aan mij door een bijna rommelige sample. Even later echter leesbaar voor de toeschouwer.
Mijn blik is ironisch. Ze bezorgt mijn beelden een satirische,
parodiërende waarde. Dat dient als contrast met de heersende norm en
ethiek, waarin ondanks de openlijke pornografie en de transparantie van
talrijke taboes, nog steeds een verdringing van driften
(driftregulering), een antilichamelijkheid beladen met zonde en schuld
heerst.
De mythe van het verborgene, dat is mijn stimulans.
...So much innocence and so much perversity, so much severity and so much impropriety, an imagination so ingenuous and a mind so erudite...
(Maurice Blanchot on Pierre Klossowski, 1965 uit ‘Pierre Klossowski’, Anthony Spira and Sarah Wilson, Whitchapel Gallery London, Hatje Cantz, 2006, 176 blz.)
Hoe bevat het werk de verschuiving in iconografische thema’s?
Elke tekening, elk element van mijn beeldend oeuvre is een ironische
allegorie. Daarbij stel ik mezelf als doel het verleden hedendaags
(nieuwe middelen, mixed-up iconografische elementen,...) en het heden
rijker te presenteren. Door de logische aaneenschakeling van ‘kennis
van’ en ‘onderzoek naar’ oude vertellingen en een actuele (soms
quasi anekdotische) ervaring, ontstaat een nieuw verhaal. Tegelijk enorm
herkenbaar en enorm onbekend.
Door onze blik vol leemtes op iconografie, kunnen we ons vandaag de dag
permitteren er een nieuwe schouwburg voor te bouwen.
Zo krijgt het heden een meerwaarde door symboliek en hernieuwde
iconografie. Het verleden wordt in een drukker, meer eclectisch kleedje
gegoten.
Het gaat dus om de presentatie van iets wat ogenschijnlijk verleden tijd lijkt, maar tegelijk erg nauw verbonden is met de maatschappelijke helling van vandaag. Dat heeft immers invloed op mijn ervaringen, mijn momenten, mijn observaties, mijn vondsten, kortom; mijn onderzoek.
Die actuele helling houdt een twijfel aan existentie en essentie in. Zowel op godsdienstig, politiek als sociaal-economisch vlak... Deze twijfel beheerst ons denken, ons doen, we zijn immers kinderen van de eeuwwisseling en niet zo'n doordeweekse. Toch ben ik me er sterk van bewust dat die twijfel aan existentie en essentie ook gestimuleerd wordt. Door communicatie. Dat gebeurt ten goede van politieke macht, ten goede van militarisme, ten goede van economie en commercie, oorlog... Mijn werk gaat enerzijds de twijfel tonen, door de onderhuidse sluimering van haar oorsprong (politiek, economie…). Anderzijds de twijfel in vraag stellen door de verwerking van die manipulatieve systemen in een eigen absurde realiteit, de werkelijkheid van mezelf als kunstenaar. Die werkelijkheid is er zeker. Toch is deze quasi onbestaand zonder onze realiteit. Zonder onze alledag.
Mijn wereld gaat de ironie van beide kanten van de medaille van de werkelijkheid gaan frotteren. Ironie enerzijds van de lichtheid. Ironie anderzijds van de zwaarte. Duivelsbrood als symbool voor de zwaarte, kan niet zonder godenspijs en omgekeerd. Mijn wereld kan niet zonder de werkelijkheid.
“Want enerzijds zal er godenspijs gevoederd worden en anderzijds wordt je haast gedwongen de droge stukjes duivelsbrood te slikken."