.....Reflectie
Zo kom ik bij het begrip ‘mise en abîme’. Een begrip dat ik intens gebruik om zelfreflectie en confrontatie van realiteiten te duiden. De opzet van mijn beeldend werk op zich, maar ook van de presentatie van mijn beeldend werk, (zo hecht ik steeds belang aan de aanwezigheid van het kleine detail, de verhalende anekdote, en de overkoepelende structuur, het kader) is altijd een ‘Mise en abîme’ of een oneindige confrontatie met het zelfbeeld. Alsof je tussen twee spiegels staat.
De mens wordt letterlijk met zichzelf geconfronteerd door
voortdurende innerlijke dialoog. Uitwendig wordt ze ook geconfronteerd
met een schouwtoneel waarmee ze weerom in dialoog verkeert. Allicht is
dit uitwendig toneel niet meer zo bombastisch als het barokke
schouwtoneel destijds, maar net als toen blijft er op een of andere
manier sprake van een overdaad. Net als toen is er de illusie van de
ordening. Net als toen hebben we zijn en schijn, pracht en ascese, macht
en onmacht. Doch, geeft dit alles me nog geen reden om te duiden, te
veroordelen, laat staan te moraliseren.
Ik plaats de kijkende mens als toeschouwers maar tegelijkertijd als
spelers. Zoals een schaakspel, waar je tegelijkertijd de pion bent die
wordt verplaatst en de aanschouwer van het ganse spel. Tegelijkertijd
speler en regisseur. Het wordt een spel, een humoristische blik die jij
werpt en die zich terugwerpt op jou.
Zo doe ik mijn tekeningen uitkijken naar de komst van de speler. Naar de
komst van de toeschouwer. Als een fan naar haar idool. Tegelijk echter
vertelt elke tekening over de toeschouwers een verhaal. Zoals elke fan
iets onthult over het idool. Zoals eigenlijk elke confrontatie met het
schouwtoneel je iets vertelt over jou. Een beeldreflectie. Want het
beeld reflecteert wie je bent als toeschouwer.
Zoals Sebastian Brant strak verwoordt bij het begin van ‘das Narrenschiff’:
Hij ziet hierop dan wie hij is, op wie hij lijkt of wat hij mist. De Narrenspiegel noem ik dit,…
(Das Narrenschiff, Sebastian Brant, vertaling: Dr. E. Vandervoort, Damon, Budel, 2007, 415 blz.: blz. 33)
Bekijken we Vélasquez ‘Las Meninas’ of het ‘Arnolfini portret’ van Jan Van Eyck. Altijd opnieuw zien we de toeschouwer tegenover de toeschouwer geplaatst. Altijd opnieuw wordt ons een spiegel voorgehouden. Altijd opnieuw lijken we ons te begeven op een tribune, die een arena blijkt te zijn.
Theater speelt een hoofdrol in mijn beeldend werk. Enerzijds door mijn achtergrond als acteur, choreograaf en schrijver-regisseur. Anderzijds door de filosofische, artistieke en vormelijke linken die ik ontdek. Linken vertrekkende van theater naar kunststromingen, naar filosofen, naar schrijvers, naar kunstenaars...allen paraat met een opmerkelijke verrijking.
Heel kort gevat:
Ikzelf tracht niks af te keuren. Ik filter, sample en gebruik iconografisch en pornografische elementen om mijn persoonlijke affectie voor ongebreideldheid uit te drukken. Mijn inspiratie en verbeelding, als resultaat van nomadisch denken, zijn de belangrijkste gereedschappen.