.......Stolling
Winckelmann spreekt over Griekse kunst als essentiële kunst. Hij
versterkt dit statement door Griekse kunst onvergankelijk te noemen.
Deze onvergankelijkheid ontstaat volgens hem door een representatie van
beweging, emotie, detail. Deze representatie maakt het tijdloos.
Waardoor ontstaat deze tijdloosheid specifiek?
Door de plastische stolling van beweging (letterlijk), emotie, detail,
wordt het werk een uitdrukking van transcendentie en universaliteit.
Alles is aanwezig in het moment nu. De aanwezigheid van een tekening als
communicatief object in het moment nu, versterkt dat momentane aspect.
Ze kan dat echter doen gedurende eeuwen en wint daarbij bovendien aan
alomvattendheid. Vandaar de universaliteit van Griekse kunst: ze
verstarde een beweging die we vandaag nog herkennen. Ik zie het echter
nog ruimer:
Mijn stolling hangt nauw samen met een sublimatie naar een symbolisch
niveau. Als het ware een omgekeerde allegorie. Het tekenen als omzetten
van letterlijk naar symbolisch, waar de allegorie van symbolisch naar
letterlijk gaat. De ervaring, beweging (…) krijgt een nieuw betekenisvol
kleedje. Zo kan een simpele naakttekening beladen worden met betekenis
door haar combinatie met andere tekeningen. De symboliek is echter niet
de hoofdzaak. Althans niet voor de toeschouwer (als leek). Wil hij/zij
de symboliek ‘volledig’ achterhalen, dan moet er over het werk
gecommuniceerd worden.
Daarom is allegorie de hoofdzaak. Ik geef mijn ervaringselementen weer,
door het gebruik van allegorische thema’s. Een allegorisch vocabularium.
Een vrij en ongegeneerd omspringen met symboliek en iconografie.
Rodin keek op een gelijkaardige manier naar zijn beeldend oeuvre. Zijn tekeningen, die je het sterkste kunt linken met mijn werk, hebben een titel ontsproten uit de mythologie. Hij ziet zijn tekeningen als stollingen van momentane bewegingen.
Winckelmann heeft het ook nog over Einfalt en Still (eenvoud en
rust/stilering). Twee termen die alsnog aansluiten bij de Griekse kunst.
In mijn werk spelen die ook een rol. Dat betreft voornamelijk de
momentane elementen.
De stilering kan niet zonder de overdaad of de overdrijving. Stilering
is immers een overdrijving. Een overdrijving in de stilste, eenvoudigste
zin van het woord. (Daarom vergelijk ik mijn werk straks ook even met de
barok. Wat op het eerste zicht een tegenstrijdigheid lijkt.)
Theo Van Doesburg schrijft in zijn boek ‘Classique-Baroque-Moderne’, over de harmonie en de eenvoud en de rust. Drie zaken die volgens hem terug te vinden zijn in zowel de klassieke kunsten als de moderne/ actuele kunsten. Hij schrijft het volgende: …
“If harmony, the essence of beauty, is realized in the fashion of nature-that is, through the grouping, arrangement, and ordered measure of forms borrowed from nature (men, animals, plants, etc.)-there may yet be art in the work, but that art is not the result of an artistic idea, because beauty did not appear in a form that was direct, independent, and disinterested, but in a indirect form, borrowed from nature…such was classical art. You must now ask yourself: “Can there exist an art more perfect than that, where the essence of beauty would appear completely in the fashion of art?” That is precisely the logical deduction of modern art.”
(Myth and Metamorphosis, Picasso’s classical prints of the 1930s, Lisa Florman, The Mit Press, Cambridge, 2000, 263 blz.: blz.9)
Schoonheid verscheen in een indirecte vorm, en die vorm was ontleend aan de natuur. Ze is geen resultaat van een artistiek idee, maar eerder van een lening, een diefstal uit een archief, een database. De database van de natuur. We kunnen hier het nomadisme van Deleuze op betrekken: