Elementaire deeltjes voor CYTHERA.

............Illusie

De vlakvorm van zowel tekenpapier als denkpatroon, sluiten geen gelaagdheid uit. Er is wel degelijk een diepte aanwezig in de oppervlaktes. Deze diepte wordt veelal vertegenwoordigd door verscheidene plans die zich horizontaal t.o.v. elkaar bewegen (Giotto). Je kunt het bovenste plan niet scheiden van het plan eronder. Als er zich een beweging voordoet in het bovenste plan, is er ook een beweging in het plan eronder. De diepte is zodoende een schijndiepte.
Zelfs in de dagdagelijkse realiteit, is dat het geval. De diepte van een plas water, is een illusie. Deze illusie duurt, tot je hand het water inglijdt. Dan nog is de diepte, een illusie voor het oog. De stenen die de op de bodem van het water liggen, bevinden zich in hetzelfde vlak als de rimpels aan haar oppervlak. Pas als het ‘zien’ beweging veroorzaakt, en het ‘bewegen’ op zich een ander/nieuw zien, is de illusie van het eerste zien, verandert. (Merleau-Ponty)
Waarneming zorgt voor verwerking. Verwerking zet aan tot handelen en dat op zich weer tot een nieuwe waarneming.
De illusie wordt echter gerelativeerd door de vrije tekenwijze enerzijds. Mijn quasi-avant-gardistische aanpak. Anderzijds door het sculpteren van de figuren. Het sculpteren geeft een grotere autonomie aan de elementen. Figuren zijn niet langer afhankelijk van het kader. Tegelijk geeft het mijn tekeningen een echte rol in de werkelijkheid, als poppen in een poppenkast.

Het betreft dus de grote illusie van de realiteit, en de meta-illusie van het tekenen en schilderen. Binnen die meta-illusie kunnen niet-illusionaire thema’s veel harder aankomen (een leugen voorschotelen om de waarheid te vertellen). Die thema’s bevinden zich immers ook in de wereld van het menselijke hoofd. Eerst in dat van de kunstenaar, vervolgens in dat van de toeschouwer. Zodoende bepalen ze mee de identiteit van de kunstenaar en de toeschouwer. Ze zorgen letterlijk voor een illusionair raakpunt in het oppervlaktedenken van beiden.
Zoekt de kunstenaar naar een aanknopingspunt met de toeschouwer, met diens blik? Wil de kunstenaar een verbinding met de toeschouwer bewerkstelligen door zijn werk? Een aanwezigheid die hem in staat stelt op meerdere plaatsen tegelijk aanwezig te zijn. Die hem in staat stelt overal aanwezig te zijn. Wil de kunstenaar overal tegelijk zijn en alles in zijn beeldend oeuvre vermengen? Is het ‘universaliteit’ waarin de kunstenaar wil opgaan en wat hij tegelijk wil uitstralen? Is de ultieme drang van de kunstenaar, als minderheid opnieuw op te gaan in de meerderheid? Is het kunstenaarschap een machtsbelust zijn?

Peter Depelchin